Logo CAP-START

CAP-START

CAP-START is een onderzoek naar de empirische antibioticabehandeling (de startbehandeling) van patienten die met Community-Acquired Pneumonie (CAP) worden opgenomen.

Achtergrond

Bij patiënten die met een matig-ernstige Community-Acquired Pneumonie worden opgenomen, waarbij er geen IC-indicatie is en een negatieve Legionella antigeentest, kan volgens de SWAB-richtlijn voor de behandeling gekozen worden uit drie antibioticagroepen:

  • Beta-lactam monotherapie (bijv. ceftriaxon)
  • Beta-lactam in combinatie met een macrolide (bijv. claritromycine)
  • Monotherapie met een fluorchinolon (bijv. moxifloxacine)

Deze middelen worden beschouwd als even effectief, maar de bewijsvoering hiervoor is matig door een slechte opzet van de studies tot nu toe. Deze waren vaak observationeel, waardoor mogelijk selectiebias optreedt. Bij gerandomiseerde studies werden patiënten vaak pas na 24 uur in een studie geïncludeerd en moesten zij vervolgens van antibioticum wisselen. Het eerst voorgeschreven antibioticum heeft een groot effect op de uitkomst. Daardoor kan het effect van het te onderzoeken antibioticum bij een dergelijke studieopzet niet goed beoordeeld worden.

Opzet CAP-START

Bij CAP-START is gekozen voor een cluster-randomised studieopzet. In alle deelnemende ziekenhuizen wordt gedurende 4 maanden één van de groepen middelen als standaardbehandeling gebruikt. Na 4 maanden wordt gewisseld naar een andere groep. De volgorde waarmee dit gebeurt, wordt bepaald door randomisatie. Zie ook het randomisatieschema.

Alleen door de studie op deze manier op te zetten, kan een goed antwoord gegeven worden op de vraag met welk antibioticum het beste gestart kan worden bij patiënten met CAP.

Wat betekent het voor de patiënt?

  • De patiënt wordt behandeld met het antibioticum van de randomisatieperiode, tenzij daar een contra-indicatie voor is. Alle gebruikte middelen zijn geregistreerd voor gebruik bij CAP en worden als even effectief beschouwd. De patiënt krijgt dus de best mogelijke behandeling.
  • Een onderzoeksarts of -verpleegkundige komt tijdens de opname bij de patiënt om toestemming te vragen voor deelname aan het onderzoek. Deze stelt enkele vragen aan de patiënt. Verder worden gegevens uit de status van de patiënt gebruikt.
  • Het onderzoek heeft GEEN verdere invloed op de noodzakelijke onderzoeken of behandeling van de patiënt.